Voor de heffing van omzetbelasting geldt als uitgangspunt dat iedere prestatie afzonderlijk wordt beoordeeld. Prestaties die economisch als één prestatie worden gezien mogen niet kunstmatig gesplitst worden. Onderling samenhangende prestaties worden als één prestatie aangemerkt als één van de prestaties de hoofdprestatie vormt en de andere als bijkomende prestaties worden gezien. In dat geval geldt voor het totaal van de prestaties het tarief dat voor de hoofdprestatie geldt, ook al zou voor een bijkomende prestatie, als deze afzonderlijk werd verricht, een ander tarief gelden. De Europese btw-richtlijn staat de lidstaten uitdrukkelijk toe om voor restaurantdiensten een uitzondering te hanteren in hun wetgeving door twee tarieven te hanteren en de levering van alcoholhoudende drank uit te sluiten van het verlaagde tarief. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt.

Op de verkoop van alcoholhoudende dranken is het algemene, hoge tarief van de omzetbelasting van toepassing. Op de verstrekking van maaltijden in horecagelegenheden is het lage tarief van toepassing. Een horecaondernemer bepleitte toepassing van het lage tarief op de door hem bij lunches en diners geserveerde alcoholhoudende dranken. Volgens de horecaondernemer gaat de verstrekking van alcoholhoudende drank op in de verstrekking van maaltijden als hoofdprestatie. 

Nadat eerder de rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de regeling in de Nederlandse wet in overeenstemming is met de btw-richtlijn, komt de Hoge Raad tot hetzelfde oordeel. Het lage tarief van de omzetbelasting is niet van toepassing op de verstrekking van alcoholhoudende drank, ook al vormen restaurantdiensten gezamenlijk één dienst, waarbij de verstrekking van maaltijden de hoofdprestatie is.

Met ingang van 1 januari 2020 geldt voor ondernemers met een eenmanszaak een nieuw btw-identificatienummer. In dit nummer is het burgerservicenummer (BSN) van de ondernemer niet verwerkt, ter bescherming van diens privacy. Het btw-identificatienummer bestaat uit een reeks van 14 tekens en is als volgt opgebouwd: landcode NL, 9 cijfers, de letter B en een controlegetal van 2 cijfers. Een voorbeeld van het nieuwe btw-identificatienummer is NL123456789B56.

Ondernemers dienen het btw-identificatienummer op facturen, briefpapier en hun website te vermelden om zich te identificeren als btw-plichtig ondernemer. Het bestaande btw-nummer wordt omgedoopt tot omzetbelastingnummer en blijft in gebruik voor communicatie met de Belastingdienst en voor de btw-aangifte. Het omzetbelastingnummer bestaat uit het BSN met de toevoeging B01 (of een ander getal). De Belastingdienst stuurt ondernemers met een eenmanszaak voor de jaarwisseling een brief waarin het btw-identificatienummer staat.

Het ministerie van Financiën heeft een wetsvoorstel ter consultatie gepubliceerd. Het conceptwetsvoorstel betreft de heffing en inning van omzetbelasting bij grensoverschrijdende internetverkopen. Belanghebbenden kunnen tot 30 oktober reageren op het wetsvoorstel.

Met ingang van 1 januari 2019 is het eerste deel van de EU-richtlijn elektronische handel geïmplementeerd in de nationale wetgeving. De volgende delen van de richtlijn, inclusief de aanvulling daarop, moeten zijn geïmplementeerd op 1 januari 2021. Dat betekent een omvangrijke uitbreiding van de btw-heffing via het mini-éénloketsysteem (MOSS), dat nu nog alleen van toepassing is op digitale diensten voor consumenten door ondernemers in een andere lidstaat dan de afnemer. Straks geldt dit voor alle diensten die een ondernemer verricht voor consumenten buiten zijn vestigingsstaat.

Ondernemers, die binnen de EU afstandsverkopen van goederen verrichten aan consumenten in andere lidstaten, zullen de btw over die verkopen in veel gevallen verschuldigd worden in de lidstaat van de consument. Met ingang van 1 januari 2021 worden deze goederenleveringen belast in de lidstaat waar de goederen zich bevinden op het tijdstip van aankomst van de verzending of het vervoer naar de afnemer, hierna ook wel aangeduid als de lidstaat van de consument. Dat betekent dat ze vaker dan nu met de btw-regels en tarieven van andere lidstaten te maken krijgen. Deze ondernemers kunnen ervoor kiezen om met toepassing van het éénloketsysteem de btw voor andere lidstaten in de eigen lidstaat af te dragen en te betalen.

Voor kleinere ondernemers die grensoverschrijdende afstandsverkopen verrichten komt een uitzondering op de regeling dat intracommunautaire afstandsverkopen belast zijn in de lidstaat van de consument. De uitzondering gaat gelden voor ondernemers die in één lidstaat gevestigd zijn en van wie de totale grensoverschrijdende omzet in een jaar onder een bedrag van € 10.000 blijft. Deze ondernemers zijn de btw in de eigen lidstaat verschuldigd naar het daar geldende tarief.

De btw-vrijstelling bij de invoer van goederenzendingen met een intrinsieke waarde van niet meer dan € 22 die worden geleverd door ondernemers van buiten de EU vervalt.

Buiten de EU gevestigde ondernemers die grensoverschrijdend digitale diensten verkopen aan consumenten binnen de EU zijn de btw over die diensten verschuldigd in de lidstaat waar de consument woont. Voor de aangifte en afdracht van de btw kan de ondernemer gebruik maken van het éénloketsysteem. De toepassing van deze regeling wordt uitgebreid tot alle diensten die niet in de EU gevestigde ondernemers verrichten aan consumenten in de lidstaten en waarvoor de btw verschuldigd is in deze lidstaten.

Leveranciers van goederenzendingen van buiten de EU krijgen de mogelijkheid om de btw over die verkopen aan te geven en af te dragen via een nieuwe toepassing van het éénloketsysteem: de invoerregeling. Wanneer een ondernemer de btw aangeeft en betaalt via de invoerregeling, wordt hij voor de betreffende goederen bij de feitelijke invoer niet meer in de heffing betrokken. De invoerregeling is beperkt tot goederen met een waarde van € 150. De invoerregeling is niet van toepassing op accijnsgoederen zoals wijn en tabaksproducten.

Een groot deel van de afstandsverkopen van goederen wordt aan de consument verkocht via handelsplatforms. Deze platforms worden belastingplichtig voor de btw die ondernemers van buiten de EU verschuldigd worden over verkopen via de platforms.

Voor post- en koeriersdiensten komt er een regeling van uitstel van betaling, waarbij geen zekerheid hoeft te worden gesteld voor de bij invoer verschuldigde btw van pakketjes van buiten de EU als de leverancier geen gebruik maakt van de nieuwe invoerregeling.

Per 1 januari 2020 verandert de kleineondernemersregeling (KOR) in de omzetbelasting. De nieuwe KOR kent een omzetgrens van € 20.000. Ondernemers die onder deze omzetgrens blijven in een kalenderjaar zijn vrijgesteld van omzetbelasting en de bijbehorende administratieve verplichtingen. De oude KOR kent een afdrachtsdrempel van € 1.883. Tot dat bedrag geldt een vermindering van de afdracht. Niet alle ondernemers, die onder de oude KOR vallen, voldoen aan de voorwaarden van de nieuwe KOR. Het is mogelijk dat een ondernemer na aftrek van voorbelasting onder de afdrachtsdrempel van de oude KOR blijft, terwijl zijn omzet boven de omzetdrempel van de nieuwe KOR uitkomt.

Ondernemers, die onder de oude KOR zijn ontheven van administratieve verplichtingen, worden automatisch overgezet naar de nieuwe KOR. Verwacht een dergelijke ondernemer in 2020 de omzetgrens te overschrijden, dan moet hij zelf een verzoek doen om uitreiking van aangiften.

Op 29 juli 2019 heeft het Hof van Justitie EU een arrest gewezen over de toepassing van de KOR door een ondernemer die de margeregeling toepast. Volgens dit arrest moet een dergelijke ondernemer zijn omzet berekenen op transactiebasis en niet op basis van de winstmarges. Deze uitleg van de Btw-richtlijn 2006 geldt voor alle lidstaten, en dus ook voor de nieuwe Nederlandse KOR. Volgens de staatssecretaris van Financiën hoeft de wettelijke regeling niet te worden aangepast naar aanleiding van dit arrest. Ook is het arrest van het Hof van Justitie EU geen reden om de omzetgrens van € 20.000 te verhogen.

In een procedure bij de Hoge Raad speelde de vraag of de omzetbelasting, die drukte op de aankoop van een investeringsgoed dat de ondernemer zowel voor economische als voor niet-economische activiteiten gebruikt, kan worden herzien als de onderlinge verhouding tussen economisch en niet-economisch gebruik wijzigt. De Hoge Raad is van oordeel dat herziening in die situatie mogelijk is.

De procedure heeft betrekking op gymnastieklokalen die een gemeente heeft laten bouwen. Voor zover de gemeente de lokalen zonder vergoeding ter beschikking stelde, vormde dat geen economische activiteit. Dat betekent dat aan de vraag of de gemeente als overheid handelde niet wordt toegekomen.

De Hoge Raad stelde voorop dat aan herziening van aftrek uitsluitend wordt toegekomen wanneer de betrokkene een goed in zijn hoedanigheid van ondernemer heeft verworven. Is dat niet het geval, dan ontstaat geen recht op aftrek en dus ook geen recht op eventuele herzieningen van de aftrek. De omvang van de in aftrek te brengen omzetbelasting en van latere herziening is afhankelijk van het voorgenomen of daadwerkelijke gebruik van het goed. Dat gebruik is niet van invloed op het ontstaan van het recht op aftrek.

Bij de beoordeling of iemand handelt als ondernemer wordt gelet op alle omstandigheden, waaronder de aard van het betrokken goed en het tijdsverloop tussen de verwerving van het goed en het gebruik daarvan voor economische activiteiten.

De gemeente heeft de gymnastieklokalen van meet af aan voor een deel van de gebruikstijd gebruikt voor belaste economische activiteiten. Volgens de Hoge Raad betekent dit dat de gemeente de gymnastieklokalen heeft verworven in haar hoedanigheid van ondernemer. Dat betekent dat recht op aftrek is ontstaan voor aan de bouw van de gymnastieklokalen toerekenbare omzetbelasting.