De tarieven in box 1 van de inkomstenbelasting en voor de loonbelasting zijn in 2020 als volgt.

 Inkomen op jaarbasis

 tarief tot AOW-leeftijd

 tarief AOW-gerechtigde

 € 0 t/m € 34.712

 37,35%

 19,45%

 € 34.712 t/m € 68.507

 37,35%

 37,35%

 € 68.508 en hoger

 49,50%

 49,50%

Voor mensen, die geboren zijn voor 1 januari 1946, geldt een hogere grens van de eerste schijf van € 35.375.
De tarieven in de eerste schijf bevat een premiecomponent. Tot de AOW-leeftijd bestaat deze uit 17,9% AOW, 0,1% Anw en 9,65% Wlz. Bij het bereiken van de AOW-leeftijd vervalt de AOW-premie. In 2020 bedraagt de AOW-leeftijd 66 jaar en vier maanden.

Heffingskortingen

Heffingskorting

tot AOW-leeftijd

AOW-gerechtigde

Algemene heffingskorting, maximaal

€ 2.711

€ 1.413

Arbeidskorting, maximaal

€ 3.819 

€ 1.989

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

€ 2.881

€ 1.452

Jonggehandicaptenkorting

€ 749

€ 0

Ouderenkorting, maximaal

€ 0

€ 1.622

Alleenstaande ouderenkorting

€ 0

€ 436

Levensloopkorting

€ 219

 

De algemene heffingskorting wordt afgebouwd tot nihil bij een inkomen uit werk en woning boven € 20.711. De afbouw bedraagt 5,672% van het inkomen boven € 20.711. Voor mensen, die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, daalt de algemene heffingskorting met 2,954%. Vanaf een inkomen van € 68.507 is de algemene heffingskorting nihil. 

De arbeidskorting wordt afgebouwd tot nihil vanaf een arbeidsinkomen van € 34.954. De afbouw bedraagt 6% van het arbeidsinkomen boven € 34.954. Voor AOW-gerechtigden bedraagt de afbouw 3,124%. De arbeidskorting bedraagt nihil bij een inkomen vanaf € 98.604.

De inkomensafhankelijke combinatiekorting kent in 2020 geen basisbedrag. De korting loopt op bij een hoger arbeidsinkomen dan € 5.072 met 11,45% van het meerdere inkomen tot een maximum van € 2.881.

De ouderenkorting bedraagt € 1.622 tot een inkomen van € 37.372. Boven dat inkomen daalt de ouderenkorting met 15% van het meerdere tot nihil bij een inkomen van € 48.185.

Hoewel de levensloopregeling is afgeschaft, bestaat de levensloopkorting nog wel. Deze geldt bij opname uit het levenslooptegoed. Het bedrag van € 219 geldt voor ieder jaar waarin is deelgenomen aan de levensloopregeling.

Het ministerie van Financiën heeft vragen en antwoorden over de fiets van de zaak gepubliceerd. Per 1 januari 2020 geldt een nieuwe regeling voor een door de werkgever ter beschikking gestelde fiets die de werknemer ook privé mag gebruiken. Voor het privégebruik vindt een bijtelling bij het salaris van de werknemer plaats van 7% van de waarde van de fiets. De regeling geldt niet alleen voor een gewone fiets, maar ook voor een elektrische fiets of een speedpedelec. Anders dan bij de auto van de zaak geldt de bijtelling voor de fiets van de zaak ook als de werknemer deze niet privé gebruikt.

Als de werknemer voor de kilometers met de fiets van de zaak een kilometervergoeding ontvangt, is deze vergoeding belast. De werknemer is niet verplicht om met de fiets naar het werk te komen. Wanneer hij met het openbaar vervoer of de auto reist in plaats van met de fiets, kan de werkgever hem voor die dagen een onbelaste kilometervergoeding geven. Ook als de werknemer met de fiets van de zaak naar het station rijdt en dan met het openbaar vervoer verder reist, kan de werkgever de reiskosten voor het openbaar vervoer belastingvrij vergoeden.

In het geval van een elektrische fiets van de zaak kan de werkgever de kosten van het thuis opladen van de accu vergoeden aan de werknemer. Als de werknemer de kosten zelf betaalt komen deze niet in mindering op de bijtelling. 

Het voordeel dat de werknemer heeft van het privégebruik van de fiets van zaak vormt loon in natura. De werkgever, die aan zijn werknemer een fiets van de zaak ter beschikking stelt, moet loonbelasting en premie volksverzekeringen inhouden over dit loon en premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw over dit loon betalen.

Loon wordt geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop het is ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend is geworden of vorderbaar en inbaar is geworden.

De vraag in een procedure was of de dga van een bv het hem toekomende loon had genoten. Door liquiditeitsproblemen had de bv het loon niet aan hem uitbetaald. Naar het oordeel van de rechtbank was het loon in ieder geval vorderbaar op grond van de overeenkomst tussen de bv en de dga. Verder was het loon inbaar omdat het verrekend had kunnen worden met de schuld die de dga had aan de bv. Omdat het loon zowel vorderbaar als inbaar was, heeft de dga het loon genoten en heeft de inspecteur het bedrag van het loon terecht tot het belastbare inkomen uit werk en woning van de dga gerekend. Hof Den Haag heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank onderschreven.

Onder voorwaarden kunnen vergoedingen voor de extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst tot maximaal 30% van de som van het loon en de vergoeding onbelast worden gegeven. Deze regeling geldt uitsluitend voor ingekomen werknemers. Dat zijn uit het buitenland geworven werknemers met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. Heeft de werknemer op het moment van sluiten van de arbeidsovereenkomst met een Nederlandse werkgever zijn fiscale woonplaats in Nederland, dan is hij niet “uit een ander land aangeworven” en heeft hij geen recht op toepassing van de 30%-regeling.

De rechtbank Noord-Holland is van oordeel dat een Italiaan, die vanaf 1 juli 2012 in Nederland over woonruimte beschikt en, nadat hij tot 1 december 2012 een opleiding aan de Technische Universiteit Delft heeft gevolgd, vanaf 7 januari 2013 werkzaam was in Nederland, op het moment van het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst in Nederland woonde. Dat betekende dat hij geen recht had op toepassing van de 30%-regeling. De Italiaan stond vanaf oktober 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie in Nederland en deed aangifte IB over 2013 als binnenlands belastingplichtige.

De rechtbank wees het beroep op een besluit van de staatssecretaris van Financiën af. Volgens dit besluit kan de 30%-regeling wel van toepassing zijn op iemand die in het kader van een stage of opleiding in Nederland werkzaam is. Als na de stage of de opleiding een aansluitend dienstverband ontstaat, staat de stage of opleiding een kwalificatie als ingekomen werknemer niet in de weg. Volgens de rechtbank was in dit geval geen sprake van een stage.